Een natte hel

Het is twee dagen na Milaan-San Remo als ik op mijn ATB door de Loonse en Drunense Duinen rijd. In de verte zie ik een renner in Astana-tenue rijden. Als hij dichterbij komt, herken ik hem. Het is Lars Boom, op zijn veldritfiets.

We kennen elkaar en hij begroet me vriendelijk. “Ha kerel, ook een beetje aan het hobbyen in de bossen?”, vraagt hij met een glimlach. Ik denk meteen terug aan de Primavera, waarin Boom in de eerste groep over de streep kwam. “Knap gereden in Milaan-San Remo”, zeg ik. “Ja, ik ben er blij mee”, antwoordt hij. “Nu deze vorm doortrekken naar de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix”, geef ik hijgend nog mee. Daarna stuur ik een beetje opzij en snelt hij me voorbij. Het Astana-tenue verdwijnt vervolgens snel uit zicht.

Eigenlijk geloof ik mijn eigen ogen niet. Terwijl de meeste veldrijders hun fietsen net in het vet hebben gezet, rijdt Lars Boom twee dagen na Milaan-San Remo op zijn veldritfiets door de Loonse en Drunense Duinen. Zou hij zich komende winter dan toch weer serieus gaan richten op het veldrijden? Of was hij gewoon even lekker een stukje aan het losrijden in de bossen?

Boom is zonder twijfel een klasbak, die ook dit jaar in de klassiekers weer gaat meespelen voor de prijzen. Met een zesde plek in de E3-Prijs in Harelbeke liet hij nog maar eens zien dat het met zijn vorm wel snor zit. Bij het Wielercafé in Vlijmen vertelde Boom vorig jaar dat hij nog een paar wensen had voor zijn wielercarrière: hij wil graag nog een keer wereldkampioen veldrijden worden én Parijs-Roubaix winnen.

Automatisch gaan mijn gedachten terug naar de kasseienetappe in de Tour de France van 2014, waarin de Vlijmenaar in hondenweer op magistrale wijze over de gladde kasseien danste en solo naar de etappewinst reed. Zou het niet mooi zijn als Boom dat kunstje in Parijs-Roubaix 2016 nog een keer kan herhalen? Alleen daarom al hoop ik dat het op zondag 10 april regent tijdens Parijs-Roubaix in het Noorden van Frankrijk. Want in een natte hel stijgen de kansen van Boom op elke kasseistrook. (Foto: John Kuysters)